Artefactum

← Alle verhalen

Een zilveren escalin uit 1750

Na honderden koperen munten eindelijk nog eens zilver. Over de escalin: wat hij waard was, hoe je hem leest, wat de grond ermee deed, en een verhaal dat ik erbij verzon.

Escalin van Maria Theresia, zijde met een leeuw

Koperen munten vind ik met honderden. Maar zilver… dat is iets helemaal anders. Mijn laatste zilveren munt was al meer dan een jaar geleden toen deze escalin in Bergom (Herselt) bovenkwam. En een zilveren munt vinden, dat doet gewoon iets heel speciaals.

Je ziet het eigenlijk direct. Zilver heeft een andere glans en een andere kleur dan koper, ook als er nog aarde op zit. Toen ik de munt in de grond zag liggen, zag ik meteen de leeuw met het schild. Ik had al veel opzoekwerk gedaan naar andere munten en was deze escalin online al tegengekomen. Ik wist dus voor 100% dat het zilver was, zonder hem zelfs maar van dichtbij te bekijken.

En het straffe is: toen ik hem destijds online zag, dacht ik bij mezelf: mijn volgende zilveren munt, dat moet deze zijn. En het is ook echt gebeurd!

Escalin, schelling, Schilling…

Hoe je de munt noemde, hing af van wie je was. Een Franstalige zei escalin, bij ons zei men schelling, een Duitser Schilling en een Engelsman shilling. Eigenlijk is het telkens hetzelfde oude woord.

Maar let op: dezelfde naam wil niet zeggen dezelfde munt. In de Spaanse tijd was een escalin bij ons 6 stuivers waard. In het prinsbisdom Luik was het een munt van 10 patards, een halve Luikse florijn. En in de Oostenrijkse Nederlanden, waar deze vandaan komt, was een escalin 7 stuivers. Als iemand toen “een schelling” zei, moest je dus eigenlijk vragen: welke?

Waar komt de escalin vandaan?

De eerste escalins bij ons werden geslagen in 1612, onder de aartshertogen Albrecht en Isabella, toen de Zuidelijke Nederlanden nog Spaans waren. Op die munt stond geen leeuw maar een pauw, met het wapen van Oostenrijk en Bourgondië op zijn borst. Daarom wordt hij ook de pauwenschelling genoemd. Hij was 6 stuivers waard, werd nog met de hamer geslagen en was met zijn 30 millimeter een stuk groter dan de mijne. Hij werd onder meer geslagen in Antwerpen, Brussel, Brugge, Maastricht en ’s-Hertogenbosch.

Daarna bleef de escalin bijna twee eeuwen in gebruik, eerst onder de Spaanse koningen en later onder de Oostenrijkers. In 1749 kwam dan het ontwerp met de leeuw dat op mijn munt staat.

Zeven stuivers in je zak

In de Oostenrijkse Nederlanden rekende men in guldens (florijnen) van twintig stuivers. Die gulden was vooral iets om mee te rekenen: prijzen en lonen stonden in guldens en stuivers, maar in je zak zaten kleinere munten. De escalin zat daar mooi in het midden.

Munt Materiaal Waarde in stuivers Deel van een gulden
Liard (oord) koper ¼ 1/80
10 liards biljoen (zilver met veel koper) 2½ 1/8
Stuiver (sol) 1 1/20
Escalin (schelling) zilver 7 7/20
Gulden (florijn) rekeneenheid 20 1

Meer over deze munteenheid en de andere munten vind je op de pagina Florijn (Oostenrijkse Nederlanden).

Waarom vind ik eigenlijk zoveel koper en zo weinig zilver? Simpel: een koperen liard was wisselgeld. Verloor je er een, jammer, maar daar ging je geen uur naar zoeken. Een escalin was 28 liards waard. Die zocht je wél. En zilver dat toch bleef liggen of ergens in een schuif belandde, werd later vaak omgesmolten. Logisch dus dat er vooral koper in de grond zit.

Wat kocht je ermee?

Een escalin was bijna een volledig dagloon. Een arbeider verdiende in de tweede helft van de 18de eeuw zo’n 8 tot 10 stuivers per dag. Met één escalin kocht je ongeveer vijf pond gewoon brood, of zo’n vier liter bier.

Wie deze munt verloor, was dus bijna een dag werk kwijt. Dat zal wel even pijn gedaan hebben. Die cijfers zijn wel ruwe schattingen: lonen en prijzen verschilden per jaar, per stad en per beroep. Waar ze vandaan komen, staat bij de bronnen.

De munt lezen

Op het eerste zicht zie je een leeuw en een schild. Maar als je beter kijkt, staat er op zo’n klein muntje verrassend veel.

De kant met de leeuw. Dat is de leeuw van Brabant. Hij kijkt naar links, heeft een zwaard vast en houdt een schild met de wapens van Oostenrijk en Bourgondië. Onder de leeuw zit het muntteken: een handje voor de munt van Antwerpen, een leeuwtje voor de munt van Brugge. In 1750 werden in beide steden escalins geslagen. Rond de rand staat de naam van de vorstin:

MAR · TH · D : G · R · IMP · G · HUN · BOH · R ·

Voluit is dat Maria Theresia Dei Gratia Romanorum Imperatrix, Germaniae, Hungariae, Bohemiae Regina, of: “Maria Theresia, bij de gratie Gods keizerin van de Romeinen, koningin van Duitsland, Hongarije en Bohemen”. Bijna elk woord is afgekort, anders past het er gewoon niet op.

Escalin van Maria Theresia, zijde met een gekroond schild

De kant met het schild. Hier staat een gekroond wapenschild met de wapens van Hongarije, Bohemen, Brabant en Milaan. In het midden zit een klein schildje met Oostenrijk en Bourgondië. Achter het schild loopt het Bourgondisch kruis, een schuin kruis van knoestige takken. Het randschrift gaat verder waar de andere kant stopt:

ARCH · AUS · DUX · BURG · BRAB · C · FL · 1750

Archiducissa Austriae, Ducissa Burgundiae, Brabantiae, Comitissa Flandriae: “aartshertogin van Oostenrijk, hertogin van Bourgondië en Brabant, gravin van Vlaanderen”. De twee kanten samen zeggen dus eigenlijk: dit is van haar, en dit zijn haar landen.

Hoe hij gemaakt is. De stempels zijn gegraveerd door Jacques Roëttiers. Deze munt is niet meer met de hamer geslagen zoals de middeleeuwse munten, maar met een muntpers. Daardoor is hij mooi rond en overal even dik. Ook de rand is versierd, met een rij puntjes. Zo’n rand maakte het moeilijker om ongezien wat zilver van de munt af te knippen of af te vijlen.

Maar twee jaar. Dit ontwerp is maar twee jaar geslagen: in 1749 en 1750. In 1749 kwamen er alleen al in Antwerpen meer dan vijf miljoen van de pers. Daarna kwam er al een nieuw ontwerp.

Wat de grond ermee deed

Een nieuwe escalin woog 5 gram en was 24 millimeter breed. De mijne is nog altijd 24 millimeter, maar weegt nog maar 3,65 gram. Meer dan een kwart is dus weg.

Een deel daarvan is slijtage: deze munt is jaren van hand tot hand gegaan. Maar het meeste komt door de grond. Het “zilver” van een escalin is maar voor iets meer dan de helft zilver (53,5%). De rest is vooral koper, en koper gaat in de grond veel sneller kapot dan zilver.

Het rare aan deze munt is dat hij maar voor een deel gecorrodeerd is. Een stuk van de onderkant ziet er nog bijna nieuw uit, terwijl de bovenkant en de linkerkant zwaar aangetast zijn. Waarschijnlijk lag niet elk deel van de munt in dezelfde omstandigheden, door vocht of iets anders dat er in de grond tegenaan lag. Ik heb ervoor gekozen om die kant niet agressief te reinigen. Daar zou ik de munt alleen maar meer mee beschadigen.

Wat er toen speelde

Deze escalin is geslagen in een woelige tijd. Maria Theresia erfde de Habsburgse landen in 1740, en in de jaren daarna bezetten Franse troepen een groot deel van de Oostenrijkse Nederlanden. Pas met de Vrede van Aken in 1748 kwamen ze terug bij Oostenrijk, en een jaar later kwam dit ontwerp er. Over Maria Theresia en die oorlog schrijf ik later nog aparte artikels.

Hoe komt zo’n munt in een veld?

Als ik iets vind, verzin ik er graag een verhaal bij. Het echte verhaal van deze escalin zullen we nooit kennen, dus maak ik er zelf een. Wat volgt is dus fictie: ik doe dit gewoon omdat ik het leuk vind. Eén ding klopt wel: op hetzelfde veld vind ik veel paardenmateriaal uit die tijd.

Voor deze munt geloof ik graag het volgende verhaal.


Het is december 1750, ongewoon koud voor de tijd van het jaar. Half acht ’s morgens. Jos, de boer van de hoeve vlakbij, was al bezig met het voederen van zijn paarden.

Door de mist was het moeilijk om de paarden te zien, maar zodra ze Jos hoorden aankomen met de emmer haver die hij zelf had geteeld, kwamen ze naar hem toe.

Hoewel Jos dit elke dag deed, had hij toch een raar gevoel over vandaag. Gisteren had hij een vreemd geluid gehoord vanuit het kasteel in de buurt, een paar uur voor de eerste haan kraaide om hem wakker te maken.

Het kasteel van de Merodes in Westerlo was bekend in heel de streek, dus zo’n geluid moeten anderen toch ook gehoord hebben? Maar aan de ontbijttafel hadden zijn zoon en zijn vrouw er niets over gezegd. Het moest dus iets anders geweest zijn.

Jos was zijn laatste zak haver aan het geven toen er in de verte een koets kwam aangestormd.

Jos woonde naast de oude dreef die de familie de Merode vaak gebruikte om naar Averbode te rijden, en van daar verder naar Diest of over een doorgang richting Aarschot. Een koets op de dreef was dus niets ongewoons.

Een stuk verder, waar je het bos van de Merodes binnenreed, de Hertberg, was die doorgang zelfs helemaal privé, eigendom van de familie zelf. De mensen uit het dorp moesten een hobbelige slijkweg nemen om er voorbij te geraken, en het bos zelf in was verboden.

Maar Jos was een van de weinigen die bij het bos mocht wonen en het land mocht gebruiken, in ruil voor het kweken van paarden voor de markies van Westerlo.

De koets leek haast te hebben en was niet van plan om te stoppen. Tot …

Ze vlak naast Jos plots tot stilstand kwam.

Jos zag het wapen van de Merodes op de koets en wist dat hij zich zo professioneel mogelijk moest gedragen. Hij nam zijn pet af en hield ze tegen zijn buik, nog voor de deur openging.

Toen de deur openging, kwam er een snel gebaar en een roep uit de koets: “HIER!”

Jos ging zonder vragen naar de koets. Hij hoorde de dringendheid in de stem van de man.

De woorden die volgden, zou Jos nooit vergeten: “Hou ze weg.”

Hou ze weg?? vroeg Jos zich af.

De man werd zichtbaar nerveuzer en was niet van plan om uitleg te geven. Hij klopte op het dak, als teken voor de koetsier dat ze zo snel mogelijk weer moesten vertrekken.

Nog één keer herhaalde de man de woorden, nu bezorgder, stil fluisterend, alsof hij om een gunst vroeg: “Hou ze weg.”

Toen de koets vertrok, stak de man zijn hand in zijn zak en gooide Jos de enige munt toe die er nog in zat: een zilveren escalin, van datzelfde jaar.

De munt vloog door de lucht, maar door de snelheid van de koets zag Jos alleen een zilveren flits, door de zon die aan het opkomen was.

Helemaal verward over wat er net gebeurd was, keek Jos de koets na tot ze in de verte verdween.

Net toen de munt naast de paarden in het gras viel, klonk er in de verte opnieuw een luid geluid. Nog een koets…

Jos wilde de munt gaan oprapen, maar keek eerst om naar het geluid. Toen hij terug naar de grond keek, vond hij de munt niet meteen terug. Ze lag ergens tussen het gras.

De tweede koets stopte bij Jos. Was er hier een koets voorbijgekomen? En welke richting was ze uitgereden? Jos wees de andere kant op, en weg waren ze.

Daarna bleef Jos nog lang staan, tussen zijn paarden in de mist. Wat zochten die mannen? En wie moest hij eigenlijk weghouden?


Deze munt vertelt dus een groot verhaal, maar niemand weet echt wat er die dag gebeurd is.

In dit verhaal